Het ge-jou van ‘den Ollander’ - Deel 5
Gemiddeld één keer per maand krijg ik een boze of verontwaardigde mail van een echte Vlaming. In deze context is dat iemand die vindt dat het nu maar eens uit moet zijn met het ge-jou en ge-jij op de VRT. Laten we met z’n allen terugkeren naar de enige echte Vlomse vorm: gij. Laten we, om het met de woorden van de laatste briefschrijver te zeggen, afstand nemen van “dat kunstmatige en bekakte je en jij van die irritante Ollanders (sic)”.
Niet erg beleefd, denk je dan. Maar ook: historisch niet erg correct. Het leek me dan ook een goed idee om een aantal dingen op een rijtje te zetten. Is ge echt de meest taaleigen vorm voor de Vlaming? Komen je en jij echt uit Nederland? We hebben in een aantal afleveringen gekeken hoe de vork aan de steel zat. Het is tijd voor de slotbedenkingen.
Anti-gij?
Je zou uit het bovenstaande kunnen afleiden dat ik het niet zo heb voor ge of gij, maar dat is eigenlijk niet waar. Waar ik het niet voor heb, is de redenering dat ge voor de echte Vlaming is en je voor ‘den Ollander’: ge is voor een deel van Vlaanderen níet taaleigen en ge is in heel Nederland verspreid geweest.
Ik heb het ook niet voor de redenering dat je een gekunstelde vorm is tegenover het natuurlijk ontwikkelde ge. Je was er al bij een deel van de Vlamingen (de West-Vlamingen) nog voor het in Nederland verspreid is geraakt en het is het gevolg van een natuurlijke taalontwikkeling. Je is, in tegenstelling tot ge, in vroegere tijden ook nooit door grammatici opgelegd als de enige te gebruiken vorm in correct taalgebruik. Dat het dat na verloop van tijd wel geworden is, komt doordat het over het hele taalgebied genomen de meest ingeburgerde vorm werd.
Tot slot heb ik het niet voor mensen die pleiten voor het standaardtalige gebruik van ge en er dan vormen aan vasthangen als gade gij of doede gij de venster nekeer toe. Ofwel spreek je standaardtaal – verstaanbaar over een heel taalgebied – , ofwel tussentaal – gekleurd door de streek waar je vandaan komt maar in grote lijnen wel algemeen verstaanbaar- , ofwel dialect – alleen taaleigen in de woonplaats van de spreker en vaak onverstaanbaar voor buitenstaanders. Of je spreekt ze alle drie, natuurlijk. Elke variant heeft zijn plaats en tijd en veel standaardtaalsprekers grijpen soms ook terug naar tussentaal of naar dialect. Maar de drie door elkaar halen en daar dan een nieuw algemeen Vlaams in zien, dat wordt moeilijk. Als je pleit voor ge in de standaardtaal, gebruik het dan juist, dat wil zeggen met de juiste werkwoordsvormen: ge komt/ge kwaamt, ge roept/ge riept, ge gaf/ge gaaft. En geef toe: gij staalt, gij zaagt (zien) en gij placht (plegen), het zijn niet de meest hippe vormen. De ge-vorm is niet voor niets archaïsch, in hedendaags algemeen Nederlands alleen bruikbaar voor God.
We plaatsen ge dus maar beter in het register waarin het hoort en we geven het bij voorkeur ook de rol die het geschiedkundig verdient. Tot op dit moment dan, want over honderd jaar ziet ons taallandschap er misschien weer helemaal anders uit. Ge kunt nooit weten …