Het ge-jou van ‘den Ollander’ - Deel 4
Gemiddeld één keer per maand krijg ik een boze of verontwaardigde mail van een echte Vlaming. In deze context is dat iemand die vindt dat het nu maar eens uit moet zijn met het ge-jou en ge-jij op de VRT. Laten we met z’n allen terugkeren naar de enige echte Vlomse vorm: gij. Laten we, om het met de woorden van de laatste briefschrijver te zeggen, afstand nemen van “dat kunstmatige en bekakte je en jij van die irritante Ollanders (sic)”.
Niet erg beleefd, denk je dan. Maar ook: historisch niet erg correct. Het leek me dan ook een goed idee om een aantal dingen op een rijtje te zetten. Is ge echt de meest taaleigen vorm voor de Vlaming? Komen je en jij echt uit Nederland? Laten we in een aantal afleveringen kijken hoe de vork aan de steel zit. We zitten aan deel 4:
De standaardtaal
Het 18e- en vooral 19e-eeuwse nationalisme deed in heel Europa de nood ontstaan aan een identiteit die zich ook uitte in het taalgebruik. Schoolmeesters groeiden uit tot heuse ‘taalbouwers’ die een kunstmatige schrijftaal construeerden, grotendeels gebaseerd op het Latijn en op de taal van Hooft en Vondel. Het was een artificieel Nederlands dat mijlenver af stond van de spreektaal van die tijd. Zo hebben we het aan Huydecooper te danken dat we nu nog steeds groter dan leren in plaats van groter als en ook uit die tijd dateert de verwijzing naar personen met van wie in plaats van waarvan of het onderscheid tussen hen en hun. Geen kat die het zo zei, maar in de nieuwe standaardtaal hoorde het zo.
Wat in de negentiende eeuw ook werd vastgelegd, ondanks het feit dat de vorm toen al in het noorden aan het afnemen was en in het zuiden maar bij een deel van de taalgebruikers als taaleigen werd aangevoeld, was ge als voornaamwoord van de tweede persoon enkelvoud. En daarmee was de cirkel rond, want ge werd in het grootste deel van het taalgebied opnieuw ervaren als een schrijftalige, formele vorm. Zoals in de middeleeuwen dus.
Maar echte taalevolutie hou je niet tegen en in de loop van de twintigste eeuw verdween de ge-vorm helemaal in het noorden van het taalgebied. In het zuiden, in Vlaanderen, bleef de vorm onder invloed van de Brabantse en Oost-Vlaamse dialecten wel bestaan, naast je. Ge werd het overkoepelende voornaamwoord in een informele taal die het midden hield tussen dialect en standaardtaal, je werd de norm.